Zagorje en het binnenland
Het Zagorje ten noorden van Zagreb zit vol kastelen, thermen en wijnheuvels. Lees wat je kiest, hoe je er komt en wat een dagrondrit kost aan tijd.

Rijd vanuit Zagreb een halfuur naar het noorden en het landschap verandert compleet. De vlakte langs de Sava maakt plaats voor heuvels die zo dicht op elkaar staan dat de weg voortdurend slingert. Wijngaarden op de zuidhellingen, bos op de rest, en om de paar kilometer een kerktoren op een top. Dit is het Hrvatsko zagorje, letterlijk het land achter de bergen.
Het is het tegenovergestelde van de kust. Geen zee, geen pijnbomen, geen terrassen aan het water. Wel een van de hoogste dichtheden aan kastelen van het land, een handvol thermale baden waar al sinds de Romeinen in wordt gebaad, en een keuken die dichter bij Wenen staat dan bij Venetië.
Voor Nederlandse reizigers is dit vooral interessant als je toch al in Zagreb bent of vanuit Slovenië het land binnenrijdt.
Waar ligt het Zagorje
Het Zagorje is het heuvelland tussen Zagreb en de Sloveense grens. In het zuiden loopt de Medvednica, de beboste bergrug die de hoofdstad afschermt, in het westen vormt het riviertje de Sutla de grens met Slovenië, en in het noorden ligt de Ivanščica, met ruim duizend meter de hoogste rug. Daartussen past een gebied van ongeveer zestig bij veertig kilometer, met Krapina als hoofdplaats en Zabok als spoorknooppunt.
Het is groen en het is nat. Er valt hier duidelijk meer regen dan aan de Adriatische kust, en dat zie je aan de maisvelden, de boomgaarden en het bos op elke heuveltop. De dorpen liggen uitgesmeerd over de ruggen, dus je rijdt kilometers langs losse huizen zonder ooit een echte dorpskern binnen te gaan. Tussen de wijngaarden staan klijeten, houten wijnhuisjes waar families in het weekend naartoe gaan.
Buitenlandse toeristen zijn hier in de minderheid, de meeste bezoekers zijn Kroaten uit Zagreb en Slovenen van over de grens. De prijzen liggen lager, en in augustus is het juist rustig omdat iedereen dan aan zee zit.

Kasteel Trakošćan
Trakošćan is het bekendste kasteel van Kroatië en staat op vrijwel elke ansichtkaart van het binnenland. Het witte complex met torens en kantelen staat op een beboste heuvel boven een meer, helemaal in het noorden van de streek, op zo’n tachtig kilometer van Zagreb en ruim een half uur rijden van Varazdin.
De kern gaat terug tot de veertiende eeuw, toen hier een wachttoren stond die het dal in de gaten hield. Eeuwenlang was het bezit van de familie Drašković, en die gaf het in de negentiende eeuw zijn huidige romantische uiterlijk in neogotische stijl. Het meer eronder en het park eromheen stammen uit diezelfde periode, dus die plas is aangelegd.
Wat Trakošćan onderscheidt van de meeste Kroatische kastelen is dat het compleet is ingericht. Je loopt door woonvertrekken met originele meubels, een bibliotheek, familieportretten van vijf eeuwen, een wapenzaal vol harnassen en jachttrofeeën aan de muur.
Reken op anderhalf uur binnen en daarna een uur voor het rondje om het meer, een vlakke wandeling van een kilometer of vier. In de zomer verhuren ze roeibootjes. Er is entree en het kasteel is het hele jaar open, met kortere wintertijden. Op zomerse weekenddagen is dit de drukste bezienswaardigheid van het binnenland, dus kom vroeg.
Veliki Tabor
Veliki Tabor is het andere gezicht van hetzelfde verhaal. Waar Trakošćan een negentiende-eeuwse droom van de middeleeuwen is, is dit een echte vesting met een oudere kern die in de vijftiende eeuw is uitgebouwd, toen de Ottomaanse dreiging nog reëel was. De burcht staat op een kale heuveltop bij het dorp Desinić in het westen van het Zagorje, en je ziet hem al van kilometers ver.
De vorm is meteen herkenbaar: een vijfhoekige woonkern met daaromheen vier zware halfronde torens en een vijfde bij de poort. Het geheel geldt als een van de best bewaarde laatmiddeleeuwse vestingcomplexen van continentaal Kroatië en ging na een lange restauratie weer open.
Binnen is het soberder dan bij Trakošćan. De nadruk ligt op de bouwgeschiedenis en op archeologische vondsten, niet op ingerichte salons. Daar staat een binnenhof met open galerijen tegenover, en vanaf de muren kijk je over de heuvels tot aan Slovenië. Aan Veliki Tabor hangt bovendien de bekendste legende van de streek, over Veronika van Desinić, het meisje van eenvoudige komaf dat verliefd werd op de zoon des huizes en volgens het verhaal levend in de muur werd gemetseld.
Doe je maar één van de twee kastelen, dan is Trakošćan de veiligere keuze. Doe je ze allebei, plan ze dan niet op dezelfde dag, want ze liggen ruim een uur uit elkaar.

Kumrovec en het openluchtmuseum
Kumrovec ligt aan de Sutla, tegen de Sloveense grens aan, ongeveer een uur rijden ten westen van Zagreb. Het dorp is bekend om één inwoner: Josip Broz, later Tito, die hier in 1892 werd geboren.
Het hele oude dorpshart is nu het openluchtmuseum Staro selo. Zo’n veertig huizen en schuren van rond 1900 zijn in oude staat teruggebracht, gebouwd van hout en leem en wit gekalkt. De meeste zijn van binnen ingericht rond een thema uit het dorpsleven: een keuken met open vuur, een weefgetouw, een smidse, een pottenbakkerij. In het weekend geven ambachtslieden demonstraties.
Het geboortehuis van Tito staat er middenin, met een tentoonstelling over zijn leven en ervoor een bronzen beeld van Antun Augustinčić. In de Joegoslavische tijd kwamen hier honderdduizenden bezoekers per jaar. Dat is voorbij, en juist daardoor loop je er op een doordeweekse ochtend soms bijna alleen rond.
Je bent er in anderhalf tot twee uur doorheen. Er is entree, het museum is het hele jaar open en het terrein is vlak genoeg voor een kinderwagen.
Het Neanderthalermuseum in Krapina
Krapina is het stadje waar het Zagorje op uitkomt, aan de snelweg naar Slovenië, drie kwartier rijden vanaf Zagreb. Op zich een gewone provincieplaats, maar aan de rand ligt de Hušnjakovo-heuvel, en daar werd in 1899 iets gevonden dat de plaats beroemd maakte onder archeologen.
Geoloog Dragutin Gorjanović-Kramberger groef er tussen 1899 en 1905 een rotsschuilplaats uit en haalde botten van tientallen neanderthalers naar boven, samen met stenen werktuigen en dierenresten. Het is daarmee een van de rijkste neanderthalervindplaatsen van Europa. De resten zijn ruwweg 125.000 jaar oud.
Het museum dat er in 2010 bij kwam is een verrassing in deze omgeving. Het is in de helling gebouwd, met een dak dat doorloopt als grasveld, zodat je het pas ziet als je er bijna voor staat. Binnen loop je via een stijgende helling terug in de tijd, langs levensgrote reconstructies van de familie die hier leefde, films en vitrines met de vondsten. Het werkt uitstekend voor kinderen vanaf een jaar of zes.
Achter het museum loop je in tien minuten naar de vindplaats zelf, waar beelden van de groep tussen de rotsen staan. Reken op twee tot drie uur voor het geheel. Er is entree, en buiten het hoogseizoen is het museum niet alle dagen open, dus controleer de tijden voordat je rijdt.
Marija Bistrica
Marija Bistrica ligt aan de andere kant van de Medvednica, drie kwartier vanaf Zagreb, en is het grootste bedevaartsoord van Kroatië. In de kerk van Maria van de Sneeuw staat een houten Mariabeeld dat door de eeuwen zwart is geworden en dat als wonderdoend geldt. Volgens de overlevering werd het tijdens de Ottomaanse dreiging ingemetseld om het te verbergen, en in 1684 teruggevonden.
Elk jaar komen er honderdduizenden pelgrims, met een piek rond 15 augustus. Een deel loopt vanuit Zagreb over de Medvednica naar boven, een tocht die veel Kroaten minstens één keer in hun leven doen. Naast de kerk ligt een groot plein met tribunes voor de buitenmissen, en achter het dorp klim je langs een kruisweg met beeldengroepen naar de Calvarieberg. In 1998 verklaarde paus Johannes Paulus II hier kardinaal Alojzije Stepinac zalig, voor een enorme menigte.
Ook zonder religieuze interesse is het de moeite. Rond de kerk staan kraampjes met kaarsen, rozenkransen en de licitar-harten waar de plaats bekend om is. Blijf wel op afstand tijdens de missen.

De thermen van het Zagorje
Onder deze heuvels zit warm mineraalwater, en daar wordt al sinds de Romeinen in gebaad. Er liggen drie kuuroorden van betekenis, alle drie op minder dan een uur van Zagreb.
Krapinske Toplice heeft de warmste bronnen, rond de veertig graden, en is van oudsher een medische plek, met een revalidatiekliniek die in heel Kroatië bekend is. Daarnaast staat er sinds een paar jaar een groot overdekt thermaalbad voor gewone bezoekers.
Tuheljske Toplice is de meest toeristische van de drie. Er hoort een hotel bij en een overdekt waterpark met glijbanen, en de thermale modder wordt hier voor behandelingen gebruikt. Dit is de plek als je met kinderen komt.
Stubičke Toplice ligt aan de voet van de Medvednica en is daarmee het dichtst bij Zagreb. Het is de rustigste en meest lokale van de drie, met een badtraditie die teruggaat tot de achttiende eeuw.
Dat Kroaten hier juist in de winter naartoe gaan, snap je zodra je het een keer hebt gedaan. Buiten in water van een graad of vijfendertig liggen terwijl het vriest en er damp van het oppervlak slaat, is een ander soort vakantie dan een strand. Bovendien is het binnenland in de winter grijs en nat en staat de kust dan grotendeels stil, terwijl de thermen doorgaan. Je koopt een dagkaart aan de kassa, en badslippers neem je zelf mee.
Een rondrit van een dag
De plekken hierboven liggen te ver uit elkaar voor één dag. Deze westelijke lus werkt het best en houdt de rijtijd rond de drie uur.
Vertrek om half negen uit Zagreb en rijd via Zaprešić en Klanjec naar Kumrovec, ongeveer een uur. Loop daar het openluchtdorp rond, anderhalf uur. Daarna is het twintig minuten naar Veliki Tabor, waar je de burcht doet en in een eethuis in de buurt luncht. Rijd vervolgens in een klein uur oostwaarts naar Krapina voor het neanderthalermuseum en pak daar de A2 terug naar Zagreb, drie kwartier. Rond een uur of zes sta je weer in de stad.
Wil je liever kastelen dan musea, draai het dan om: over de A2 naar Krapina, door naar Trakošćan in het noorden en op de terugweg Veliki Tabor. Dat is de zwaardere variant, want tussen die twee kastelen zit ruim een uur over smalle wegen.
Met een overnachting wordt het aangenamer. Slaap in Krapinske Toplice of Tuheljske Toplice, doe op dag één de westkant met Kumrovec en Veliki Tabor, eindig in het bad, en neem op dag twee Trakošćan mee met Marija Bistrica of Varazdin op de terugweg.
Wat je hier eet
De keuken van het Zagorje heeft niets met vis te maken. Het bekendste gerecht zijn zagorski štrukli: flinterdun deeg gevuld met verse kwark en room, ofwel gekookt en in een romige saus geserveerd, ofwel in de oven gebakken tot het bovenop bruin is. Je krijgt ze als voorgerecht, als bijgerecht en in een zoete variant met appel als toetje.
Purica s mlincima is het zondagse gerecht van de streek: gebraden kalkoen met mlinci, dunne lappen gedroogd deeg die het braadvocht opzuigen. Vraag ook naar de bospaddenstoelensoep met room, want de heuvels leveren in het najaar veel eekhoorntjesbrood.
Zoet is Marija Bistrica de plek. De licitar-harten in felrood met suikerversiering zijn vooral om mee te nemen; de gemberkoek en honingkoek uit diezelfde bakkerstraditie eet je wel op.
De wijn komt van de zuidhellingen rondom en is vooral wit. Kroaten drinken die hier graag als gemišt, half wijn en half bruisend water, wat op een warme middag beter werkt dan het klinkt. Eet je liever waar de streek zelf eet, zoek dan een seljačko domaćinstvo, een boerderij die in het weekend een eetzaal opent. Reserveer, want doordeweeks zijn ze vaak dicht.
Hoe kom je er
Met de auto is het simpel. Vanuit Zagreb neem je de A2 richting Macelj en de Sloveense grens; bij Krapina ben je er in drie kwartier, tol inbegrepen. Marija Bistrica bereik je over de Medvednica in ongeveer dezelfde tijd. De wegen tussen de dorpen zijn wel smal en bochtig, dus tel bij elke geschatte rijtijd gerust een kwartier op.
Met de trein kom je vanaf het centraal station van Zagreb via Zabok in Krapina, in ruwweg anderhalf uur en met een handvol vertrekken per dag. Vanaf Zabok loopt een tak door naar Varaždin. Bruikbaar als je alleen het neanderthalermuseum wilt zien, want vanaf het station in Krapina is het ruim een kilometer lopen. Er rijden ook bussen vanuit Zagreb naar Marija Bistrica en Zabok.
Tussen de bezienswaardigheden onderling rijdt echter zo goed als niets. Ze liggen verspreid over vijftig kilometer heuvelland zonder onderlinge verbinding, dus met een auto doe je drie plekken op een dag en zonder auto één.
Als aanhaakpunten liggen Varazdin en Samobor voor de hand. Varaždin, de barokstad aan de Drava, ligt ruim een half uur ten oosten van Trakošćan en is een goede uitvalsbasis voor het noorden van de streek. Samobor ligt ten zuidwesten van Zagreb en hoort strikt genomen niet bij het Zagorje, maar levert hetzelfde soort halve dag op.
Rijd je na het binnenland door naar het zuiden, dan is Karlovac de logische tussenstop richting de Plitvicemeren, op ongeveer een uur van het park. Wat je daar en in de andere parken kunt verwachten staat in de gids over de nationale parken van Kroatië. Kom je vanuit Slovenië het land binnen bij Macelj, dan rijd je automatisch het Zagorje in, wat het een prima eerste of laatste stop van een rondreis maakt.
Het Zagorje wint geen schoonheidswedstrijd van Dubrovnik of Hvar, en dat hoeft ook niet. Dit is de streek waar je heen gaat als je wilt zien hoe Kroatië eruitziet zonder zee: heuvels, kastelen, kwarkdeeg en warm water uit de grond. Twee dagen, een huurauto en een beetje slecht weer, en je snapt waarom de mensen uit Zagreb hier elk weekend naartoe rijden.
Veelgestelde vragen
Beeldverantwoording
Beeldmateriaal op deze pagina via Wikimedia Commons en Wikipedia.
- Anchi Joy (CC BY-SA 4.0) —
- Denoir at English Wikipedia (CC BY 2.5) —
- Ex13 (CC BY-SA 3.0) —
- Fraxinus (CC BY-SA 3.0) —